Rekenopgaven herhaling voor examen H5
Hieronder vind je om te beginnen oefenopgaven voor het omrekenen van eenheden, met antwoorden, waarschijnlijk kun je deze overslaan, maar probeer er maar een paar.
Oefenopgaven rekenen met eenheden
- schrijf de antwoorden in wetenschappelijke notatie: 0,034 wordt 3,4 x 10-2 en 34000 wordt 3,4 x 104 - bedenk : als eenheid kleiner wordt, dan wordt getal groter (en omgekeerd) bv. 1,80 m is 180 cm - 102 x 103 = 10.10 x 10.10.10 = 105 (= 102+3) En 102/ 103 = 102 x 10-3 = 102-3 = 10-1 - 1 dm3 = 1 L(iter) - M=Mega k=kilo h=hecto da=deca uno d=deci c=centi m=milli µ=micro 106 103 102 101 100=1 10-1 10-2 10-3 10-6
1/ 7,3 km2 =… cm2
2/ 3 mm =….. dm
3/ 2.6 km3 =….. m3
4/ 8,75 cm =….. km
5/ 2,3 hm2 =…. dm2
6/ 9,2 cm2 =…… km2
7/ 2,6 dm3 =…. mL
8/ 0,2 cm3 =… mL
9/ 8,9 dL =…. hL
10/ 3,4 m3 =…….L
11/ Een balk heeft een lengte van 2,00m, breedte van 30cm en hoogte van 500mm. Bereken het volume van de balk in dm3 en cm3.
12/ de lengte van een bladzijde is 20cm, de breedte is 100mm. Bereken de oppervlakte in cm2 en in mm2 .
Nieuwe sommen met significantie:
13/ 12,3 km + 685,3 m = ………….
14/ 0,653m x 1,2 .103 m=…….
15/ 0,563m x 2,4km =…………cm2
16/ 0,45m x 22,3 cm x 1,56 .103m = ………L
Antwoorden
1/ 7,3 km2 =7,3 km.km= 7,3 103m. 103m =7,3 103 102cm . 103.102 cm= 7,3.1010 cm
2/ 3 mm = 3.10-3 m = 3. 10-3. 101 dm = 3. 10-2 dm
3/ 2.6 km3 = 2,6 km.km.km = 2,6 103m. 103m. 103m = 2,6 .109 m3 4/ 8,75 cm = 8,75 .10-2 m = 8,75 . 10-2 . 10-3 km = 8,75 . 10-5 km
5/ 2,3 hm2 = 2,3 hm. hm= 2,3 102m. 102m = 2,3 . 103dm. 103 dm= 2,3 . 106 dm2
6/ 9,2 cm2 = 9,2 cm.cm= 9,2 10-2m.10-2m = 9,2 10-5km.10-5km= 9,2 .10-10 km2
7/ 2,6 dm3 = 2,6 L = 2,6 .103 mL
8/ 0,2 cm3 = 0,2 .10-3 dm3 = 0,2 .10-3 L = 0,2 mL (dus 1dm3= 1L en 1cm3= 1mL)
9/ 8,9 dL = 8,9 .10-1 L = 8,9 .10-1. 10-2 hL= 8,9 .10-3 hL
10/ 3,4 m3 =3,4 m.m.m = 3.4 10dm.10dm.10dm= 3,4 .103 dm3 = 3,4 .103 L
11/ Een balk heeft een lengte van 2,00m, breedte van 30cm en hoogte van 500mm. Bereken het volume van de balk in dm3 en cm3. 2,00 .10dm x 3.0 dm x 5,00dm = 3,0 .102 dm3 = 3,0 .102.103 cm3= 3,0 .105 cm3
12/ de lengte van een bladzijde is 20cm, de breedte is 100mm. Bereken de oppervlakte in cm2 en in mm2 . 20 cm x 10,0 cm= 2,0 .102 cm2 = 2,0 .104 mm2
13/ eerst eenheden gelijk maken in grootste eenheid (hier dus km, je moet immers met de decimalen gaan werken, dus wil je geen machten van 10. Dan krijg je 12,9853 km wordt: 13,0 km )
14/ 0,7836 .103 m2 wordt 7,8.102 m2
15/ 0,563 .102 cm x 2,4 .105 cm = 1,3512 .107 cm2 wordt: 1,4 .107 cm2
16/ 0,45 .101 dm x 22,3 .10-1 dm x 1,56 .104 dm = 15,6546 .104 dm3 = 1,6 .105 L Rekenoefening 2 (ook nog heel simpele opgaven)
4/ reken om naar gevraagde grootheid en eenheid a/23,5 L alcohol = ………mol
b/ 3,67 . 103 m3 methaan = ……… kmol
c/ 8,2 .102 mmol keukenzout = ………..cm2
d/ 6,45.103 mol SO2 = …………….liter
5/ Gehalte kan in procenten (massa of volume), of promillen (.. op 1000), a/ 200 ml van 4,0 volume% bier bevat ………ml alcohol
b/ 50g jam (35 massa% suiker) bevat …….g suiker
c/ jenever bevat 10,5ml alcohol per glaasje (30ml) , wat is het alcoholgehalte in vol % ?
d/ het alcoholpromillage in het bloed van een chauffeur is 2,3 0/00. Hoeveel ml alcohol zit er dan in 6,5 liter bloed.
Antwoorden 4a/ met dichtheid naar 18,8x103g en vervolgens met molmassa naar: 4,1 x 102 mol b/ met dichtheid naar 2,642 x 103 kg en vervolgens met molmassa naar 1,6 x 102 kmol c/ met molmassa naar 47,92 g en met dichtheid naar 22 cm3 d/ met molmassa naar 297 x 103 g en met dichtheid naar 1,01 x 105 L
5a/ 8,0 ml alcohol b/ 18 g suiker c/ 35 % d/ 15 ml
Rekenoefening 3 , het serieuze werk Concentratie doen we in de scheikunde in mol L-1 , dus bv. 0,10 mol L-1 = 0,10M (molair) Molariteit = aantal mol L-1 van een stof in oplossing gebracht. [ ] = aantal molL-1 in oplossing aanwezig 1/ Je lost 2,67 g Magnesiumchloride op in 200 ml water. a/ wat is de molariteit van de oplossing b/ wat zijn de concentraties van de ionen c/ je voegt aan deze oplossing 150ml water toe, wat wordt nu de molariteit van de oplossing? d/ Je voegt 100ml 0,100M natriumchloride opl toe, wat wordt de chloride concentratie?
2/ Je laat reageren 200ml 0,100 M zoutzuur met 100ml 0,150M natronloog. a/ geef de reactievergelijking b/ wat is de concentratie van de ionen na reactie? c/ wat is de pH?
3/ Je laat reageren 100 ml 0,200M zoutzuur met 200ml 0,150M Kalkwater a/ geef de reactievergelijking b/ wat is de concentratie van de ionen na reactie? c/ wat is de pH ?
4/ kalksteen bestaat voornamelijk uit calciumcarbonaat. In de cementfabriek wordt dit verhit voor het maken van kooldioxide en ongebluste kalk : CaO(s). a/ geef de reactievergelijking b/ Hoeveel kg ongebluste kalk ontstaat maximaal uit 1,00 ton kalksteen? c/ Hoeveel m3 koolstofdioxide gas ontstaat er, gemeten bij 00 C. d/ stel het nettorendement is 92%, wat wordt dan in de praktijk de opbrengst van ongebluste kalk uit 1,00 ton kalksteen?
5/ Bij overmaat zwavelzuur wordt 1,000 kg van de vaste stof bariumcarbonaat gevoegd. Dit lost op onder gasontwikkeling (koolstofdioxide), er ontstaat een neerslag en er vormt zich ……….. (een veel gebruikt oplosmiddel) a/ stel de reactievergelijking op b/hoeveel ml koolstofdioxide ontstaat er, gemeten bij 00 C. c/ hoeveel kg neerslag ontstaat er 6/ Whisky bestaat grotendeels uit water en 40,0 volume procent ethanol. a/ Bereken hoeveel gram ethanol een glas whisky van 50 ml bevat. (temp 200 C). De ethanol in whisky wordt in het lichaam “verbrandt”, hierbij ontstaan koolstofdioxide en water. b/Geef de reactievergelijking in molecuulformules.. c/Bereken hoeveel liter koolstofdioxide vrijkomt bij de verbranding van de ethanol in 2 glazen whisky van 50ml. 7/Loodhydroxide Pb(OH)2 kan gemaakt worden door oplossingen van loodnitraat en natriumhydroxide bij elkaar te voegen en het neerslag af te filtreren. a/Geef de reactievergelijking van deze reactie. b/ Bereken hoeveel gram loodhydroxide maximaal kan ontstaan als 200ml 0,10M loodnitraat oplossing bij 300ml 0,15 M natronloog gevoegd wordt. c/ Wat is de concentratie van de overige ionen in oplossing d/ wat wordt de pH van de oplossing
STUDIEWIJZER scheikunde havo-5 2011-2012 PERIODE 3+4.
Er zijn 3 lessen per week. We gaan er van uit dat je naast de drie lessen sk per week nog minstens 2 klokuur aan huiswerk besteedt. Thuis moet je steeds de tekst lezen en proberen te begrijpen! Kom je er niet uit vraag dan aan de docent.
Elk hoofdstuk begint met een introductie door de docent; Je moet alle opgaven zelf in de les of thuis maken , enkele (lastige) opgaven worden klassikaal nagekeken. De rest van de opgaven kijk je thuis na, begrijp je het niet, dan aan de docent vragen.
Maak voor jezelf een planning om stof te herhalen voor je eindexamen!!!!!!
|
planning |
Activiteit |
Opmerkingen |
|
Wk 5
Ma 30jan |
§10.4
§11.1 exp 1 |
In de les bespreken: 44,46,3,4,5( rest zelf nakijken.)
|
|
Wk 6
Ma 6 febr |
§11.1 en 11.2
|
In de les bespreken: 15,16,17,20,26,27,28,30, (rest zelf nakijken.) |
|
Wk 7
Ma 13 febr |
§11.3 en 11.4 |
In de les bespreken: 32,35,36,37,38,39, 40,41,42,45,46,52 (rest zelf nakijken.) |
|
Wk 8
Ma 20 febr |
Examenopgaven
Toets hfdst 10 en 11 |
|
|
Wk 9
ma 27 febr |
Krokusvakantie |
|
|
Wk 10
Ma 5 mrt |
§12.1 en 12.2
|
In de les bespreken: 6,7,8,10,11,12,13,14, (rest zelf nakijken) |
|
Wk 11
Ma 12 mrt |
§12.2 en 12.3
i-puls 9 exp18 |
In de les bespreken: 20 (rest zelf nakijken.) |
|
Wk 12
Ma 19 mrt |
§12.4 en 12.5
|
In de les bespreken: 36,38,46,52,57,7,8 (rest zelf nakijken.) |
|
Wk 13
Ma 28 mrt |
TAP 3
Toets hfdst 12 |
.
Polymeren |
|
Wk 14
Ma 2 april |
Voorbereiding warenonderzoek |
|
|
Wk 15
Ma 9 april |
P.O.warenonderzoek |
|
|
Wk 16
Ma 16 april |
Herhaling |
Examenopgaven |
|
Wk 17
Ma 23 april |
Herhaling
|
examenopgaven
(27/4 laatste schooldag) |
|
Wk 20 |
Eindexamen |
|
|